Zeiltermen: van A tot Z

Een termenlijst met een heleboel zeiltermen (213).
Let op: sommige termen zijn algemeen en voor elke boot geldig. Anderen gelden alleen voor een kielboot of zwaardboot. Bij sommige termen staan ‘best practices’; deze zijn alleen getest in een beperkt aantal kielboten en zwaardboten. Op andere schepen zou het dus anders kunnen werken. Een definitie mag worden overgenomen, graag wel met een bronvermelding (hyperlink).

A

Aan de grond:
Aan de grond betekent dat het schip vastligt op een ondiepte.
Aan de wind:
wanneer de wind schuin van voren op je schip komt, is dit de koers aan de wind. Aan de wind zeilen is dus schuin tegen de wind in varen.
Aanleggen:
Aanleggen is het schip voor korte tijd op een vast punt vastleggen. Dit kan bijvoorbeeld op hogerwal of op lagerwal. Tijdens het aanleggen is het verstandig goede stootwillen tussen de boot en de kade te bevestigen. Voor langere tijd aanleggen heet afmeren en vereist dat de boot beter wordt vastgelegd.
Aanslaan (lijnen):
Het aanslaan van lijnen is het gereed brengen van lijnen om bediend te kunnen worden. Je maakt de lijnen, zoals vallen en schoten, vast zodat ze bijvoorbeeld de zeilen kunnen hijsen en het zeil kunnen aantrekken. Vaak zijn vallen gebreid wanneer het schip nachtklaar is. Het aanslaan maakt deel uit van het vaarklaar maken van het schip.
Aanspringen:
Het aanspringen van een zeilboot refereert naar een combinatie van gewichtsverdeling en zeilbediening om de boot zo snel mogelijk op gang te laten komen en zo min mogelijk te laten verlijeren. Een zeilboot aanspringen vereist enige oefening en gevoel van de boot en gaat als volgt; wanneer je stilligt of deinst trek je het zeil aan en beweeg je naar lij (dit op aan de wind). Je beweegt daarna het gehele gewicht met kracht naar loef en laat tegelijkertijd het zeil iets vieren. Vervolgens vier je het zeil verder en trek je het weer rustig aan om vol gebruik te maken van de stuwende werking. Het idee erachter is dat door de beweging van lij naar loef je kunstmatige wind creëert doordat de kiel zich ‘afzet’ tegen het water, zodat je zo min mogelijk verlijert.
Aanvangstabiliteit:
Aanvangstabiliteit verwijst naar de mate waarin het oprichtend koppel in staat is het schip recht te houden wanneer het schip een klein beetje schuin gaat. Eindstabiliteit gaat over wanneer het schip erg schuin gaat. Wanneer een schip een lage aanvangsstabiliteit heeft, houdt dat in dat het schip bij weinig wind al direct schuin gaat. Voor meer informatie hierover: Stabiliteit op een schip.
Aanvaring:
Een aanvaring is het ‘botsen’ met een ander schip. Je lag dan op een aanvaringskoers. Wanneer je een schip aanvaart heb je grote kans op averij.
Aanvaringspeiling:
De aanvaringspeiling is een kijktechniek waardoor je kunt zien of je een kruisend schip zult passeren of aanvaren. Dit doe je met een achtergrondspeiling. Hoe werkt het; je kijkt hoe een schip zich beweegt ten opzichte van een vast punt op de achtergrond. Wanneer het kruisende schip zich naar voren beweegt ten opzichte van de achtergrond zal het schip voorlangs gaan, wanneer het zich naar achteren beweegt achterlangs. Wanneer de achtergrond en het schip op dezelfde plek blijven, lig je op een aanvaringskoers.
Aanvaringskoers:
Een aanvaringskoers is een koers waarop je het risico loopt om een ander schip aan te varen, wanneer je niet van koers wijzigt. Dit kan je controleren met een aanvaringspeiling.
Achtergrondspeiling:
De achtergrondspeiling is een kijktechniek waardoor je onder andere kunt voorspellen of je op aanvaringskoers ligt. Hoe werkt het; je kijkt hoe een schip zich beweegt ten opzichte van een vast punt op de achtergrond. Wanneer het kruisende schip zich naar voren beweegt ten opzichte van de achtergrond zal het schip voorlangs gaan, wanneer het zich naar achteren beweegt achterlangs. Wanneer de achtergrond en het schip op dezelfde plek blijven, lig je op een aanvaringskoers.
Achteruit zeilen:
Achteruit zeilen is deinzen en tegelijkertijd gebruik maken van de zeilen. Om achteruit te zeilen zorg je dat je helemaal stil komt te liggen. Vervolgens duw je het grootzeil helemaal uit en geef je goed roer voor deinzend schip. Je kunt ook het grootzeil eerder of later uitduwen. Je zult dan achteruit zeilen.
Achterlijker dan dwars:
Achterlijker dan dwars is het maken van een dwarspeiling en dan nog een stuk doorvaren voordat je overstag gaat, omdat afstand en golven ervoor zorgen dat je verlijert en niet uitkomt waar je wilde uitkomen. Je neemt een punt achterlijker dan dwars wanneer de afstand tussen schip en punt heel groot is, en ook wanneer er hoge golven staan, omdat beide ervoor zorgen dat het schip (absoluut) veel verlijert.
Achtje (knoop):
Een achtje leggen in een lijn is op een stuk in de lijn zelf een acht te knopen. Dit dient vaak om het uiteinde te verdikken, zoals bij fokkeschoten. Voor een permanente verdikking kan beter een eindsplits worden gemaakt.
Afhouden:
Het afhouden van een schip is het voorkomen dat een schip te hard op de kade botst, vaak om averij te voorkomen. Je kunt hiervoor je bijvoorbeeld je been of arm gebruiken, of een instrument. Let bij afhouden op dat er geen ledematen tussen de wal en het schip geraken.
Afkruisen:
Afkruisen is het net niet voor de wind gaan varen maar juist ruime wind varen met af en toe een gijp. (je kruist dus naar beneden) Dit wordt gedaan omdat de ruime koers veel sneller is als de voordewindse koers, waardoor het slim kan zijn om ruime wind te varen. Dit wordt ook wel kruisen voor de wind genoemd.
Afmeren:
Het afmeren van het schip is het voor langere tijd vastleggen aan een vast punt. Hierbij is het verstandig om stootwillen te bevestigen tussen het schip en de wal om schade te voorkomen, en het schip minimaal met twee lijnen vast te leggen (en het liefst met een spring).
Afstoppen:
Het afstoppen van een schip verwijst naar een methode waarop je een schip dat hard aankomt langzaam kan afremmen, bijvoorbeeld met een landvast. Je zorgt er bij het afstoppen voor dat een schip langzaam afremt, door de landvast te laten slippen. Een andere mogelijkheid is een puts gebruiken.
Aftuigen:
Het aftuigen van een zeilschip zijn alle handelingen die ervoor zorgen dat het schip niet meer kan zeilen. Dit is bijvoorbeeld het strijken van de zeilen. Na het aftuigen kan de boot nachtklaar worden gemaakt of kan er worden aangelegd. Aftuigen is het tegenovergestelde van optuigen.
Afvallen:
Afvallen is de vaarrichting van de boot zo veranderen, dat de voorsteven van de boot zich van de wind af beweegt (lij). De boot vaart dan minder tegen de wind in. Een voorbeeld is afvallen van halve wind naar ruime wind. Een ander voorbeeld is van in de wind naar aan de wind. Afvallen is het tegenovergestelde van oploeven.
Afvaren:
Afvaren is het verlaten van een vast punt om (verder) te gaan zeilen. Afvaren doe je als de boot vaarklaar is. Afvaren kan vanaf een hogerwal met gehesen zeilen. Hierbij deins je eerst een stukje en vaart dan weg. Hetzelfde geld voor een langswal, alleen deins je dan niet. Afvaren van een lagerwal doe je met gestreken zeilen, je boomt of pagaait je boot naar aan de wind, hijst de zeilen en vaart weg.
Anker op (gaan):
Anker op gaan is het ophalen van het anker om verder te varen.
Ankeren:
Ankeren is het stilleggen van het schip op het water door middel van een anker. Hierdoor is het mogelijk om, zonder een vaste wal, het schip stil te leggen en bijvoorbeeld te pauzeren of zelfs te overnachten.
Ankergast:
De ankergast is de maat van de stuurman die het anker bedient. Meestal is de ankergast ook de fokkemaat.
Averij:
Averij is het schade oplopen aan je schip. Dit kan voorkomen bij een aanvaring of bij het verkeerd afmeren van een schip.
Ankerpeiling:
De ankerpeiling is een manier om te controleren of je anker goed houdt. De ankerpeiling gaat als volgt; je neemt een punt dwars op het schip, en kijkt na een poosje of het punt verschoven is. Zo niet, dan weet je dat het anker houdt. Is het punt wel bewogen, zul je opnieuw moeten ankeren.

B

Ballasttrim:
Ballasttrim, ook wel gewichtstrim of gewichtsverdeling, is het verplaatsbare gewicht in de boot gebruiken om zo optimaal mogelijk te zeilen. Het verplaatsbare gewicht is meestal alleen de bemanning. Het gewicht kan bijvoorbeeld worden gebruikt om te sturen, of om de boot een positieve helling te laten maken.
Bakboord:
Bakboord betekent, gezien vanaf de stuurman kijkend naar voren, links. Deze term wordt gebruikt om aan te geven dat het gaat om de zijde vanaf de stuurman, en niet om de zijde ten opzichte van de spreker. Wanneer je bijvoorbeeld naar de achterzijde van het schip kijkt, en je zegt ‘links’, denken anderen dat je ‘rechts’ vanuit het oogpunt van jou bedoelt. Echter, wanneer je bakboord zegt, weet iedereen dat je de linkerzijde van het schip bedoelt vooruitkijkend. Bakboord is het tegenovergestelde van stuurboord.
Beaufort:
“De Ier Sir Francis Beaufort (1774-1857) is bekend om zijn windschaal, bedacht in 1838 op basis de hoeveelheid zeil die een groot schip kon voeren bij een zwakke bries, storm of orkaan. Uitgangspunt voor de schaal is de druk die de wind uitoefent op de zeilen. Pas in 1873 werd de Beaufortschaal internationaal aanvaard en vandaag de dag is de schaal van Beaufort een uitgebreide dertiendelige schaal met de gevolgen van wind op zee en boven land. Vrijwel alle wind- en stormwaarschuwingen worden uitgedrukt in Beaufort.” (afkomstig van het KNMI).
Beleggen:
Het beleggen van een lijn is het vastmaken van een lijn aan een kikker door er achtjes omheen te draaien. De kikker heeft twee uiteinden, en hieromheen worden de achtjes belegd. Een belegging eindigt altijd met een halve steek.
Bemanning:
De bemanning aan boord zijn de personen die een functie uitvoeren op het schip. Voorbeeld is de schipper, de stuurman en de fokkemaat. Op veel kleinere boten wordt met bemanning vaak de ‘maat’ of fokkemaat mee bedoeld. Personen op het schip die geen functie hebben zijn geen bemanning maar passagiers.
Benedenwinds:
Benedenwinds is de plek die aan de lijzijde van het schip bevindt, en is het gebied waar het schip lager dan halve wind moet varen om te bereiken.
Benedenwinds punt:
Een benedenwinds punt is een punt die aan de lijzijde van het schip bevindt. Om dit punt te bereiken moet je lager dan halve wind varen.
Betonning:
Betonning is het met behulp van markeringen aangeven van een vaarwater of het aangeven van een gevaarlijke ondiepte. Kardinale betonning dient voor gevaarlijke ondieptes en obstakels, laterale betonning is markering voor vaarwaters.
Bezeild:
Bezeild betekent dat een schip in een keer naar een bepaald punt kan zeilen, zonder op te hoevenkruisen. Wanneer een punt bezeilbaar is, betekent dit dus dat er rechtstreeks heen gevaren kan worden.
Bijliggen:
Bijliggen van een zeilschip verwijst naar een bepaalde stand van de zeilen en het roer waardoor een schip geen helling meer maakt, erg langzaam gaat en relatief weinig verlijert. Bijliggen kan gebruikt worden wanneer de situatie vereist dat het schip geen hinder vormt door snelheid of helling (bijvoorbeeld nadat een man binnen is gehaald nadat hij overboord is geslagen). Bijliggen gaat als volgt: de fok bak, het grootzeil volledig los en het roer 90 graden voor oploeven.
Binnen de wind:
Wanneer je verder afvalt dan voor de wind, geraak je binnen de wind. Dit kan je onder andere zien wanneer de fok ver aan de verkeerde kant staat. Eigenlijk vaar je, wanneer je binnen de wind vaart, ruime wind voor de andere zijde. Voorbeeld: binnen de wind over bakboord varen is eigenlijk ruime wind over stuurboord met het grootzeil aan de verkeerde zijde. Wanneer je te ver binnen de wind vaart, kan je een klapgijp krijgen. De wind vangt dan vanaf de andere kant van je grootzeil wind, waardoor je gijpt. Je kunt dit herkennen aan de giek; deze gaat dansen (op en neer bewegen) wanneer hij bijna klapt.
Binnenvaart Politiereglement (BPR):
Het Binnenvaart Politiereglement (BPR) bevat de verkeersregels voor de Nederlandse binnenwateren. Zo staan hierin de borden en overige verkeerstekens vermeld, de te voeren verlichting, tekens en geluidsseinen voor vaartuigen, en de voorrangs- en uitwijkregels op het water.
Boeggolf:
De boeggolf is de golf in het water die het schip maakt doordat de boeg door het water snijdt. De boeggolf is vlak achter de boeg te zien.
Bomen:
Bomen is het gebruiken van een lange houten stok/paal, die je schuin naar achteren in de grond steekt om je schip voort te bewegen. Een alternatief is pagaaien of wrikken. Een boom bestaat uit de volgende onderdelen: de druif, de teen, de hak en boom zelf. Het voordeel van bomen is dat het erg snel gaat, het nadeel is dat je ondiepe grond nodig hebt.
Bovenwinds:
Bovenwinds is de plek die aan de loefzijde van het schip bevindt, en is het gebied waar het schip hoger dan halve wind moet varen om te bereiken.
Bovenwinds punt:
Een bovenwinds punt is een punt die aan de loefzijde van het schip bevindt. Je kunt er niet rechtstreeks heen zeilen, maar moet met een overstag of opkruisen er komen.
Breien (lijnen):
Het breien van lijnen is vaak een handeling wanneer het schip nachtklaar wordt gemaakt, en is het ophangen van een lijn zonder dat er schade of geluidshinder kan ontstaan.
Broodpoeper:
Een broodpoeper is een bijnaam voor een groot binnenvaartschip.
Buien:
Buien op het water zorgen vaak voor een toename in de windkracht, in tegenstelling tot regenvelden. Je kunt een bui aan zien komen aan de donkere wolken de met de wind mee gaan. Als ze tegen de wind ingaan heb je te maken met onweer. Tijdens een bui neemt de windkracht toe, en vooral de kans op vlagen is zeer groot. Bij licht weer is dit juist fijn, bij zwaarder weer moet je goed opletten. Tevens kunnen buien zorgen voor een verandering in de windrichting.
Buiswater:
Buiswater is het water dat tijdens het zeilen in de boot spat. Dit kan soms met aanzienlijke hoeveelheden gaan. Door te hozen kan het buiswater worden verwijderd.

D

Deinzen:
Deinzen is een achterwaartse beweging van het schip. Wanneer een schip achteruit gaat, deinst het schip. Het roer werkt dan precies andersom. Wanneer je deinst, kan je ook achteruit zeilen. Deinzen doe je door precies in de wind te gaan liggen met alle zeilen los, en precies op het moment dat de boot stilligt langzaam roer voor deinzend schip geven. In het begin heel subtiel, na enige snelheid kan je meer bijsturen.
Diepgang:
De diepgang van het schip is de diepte van het schip. Een schip steekt diep wanneer het een kiel heeft en is ondiep wanneer het (zij)zwaarden heeft.
Dode hoek (windrichting):
De dode hoek is het gebied in de wind waar je niet kunt zeilen. Deze hoek is ongeveer 80/90 graden, afhankelijk van de windkracht. De grenskoersen naast de dode hoek zijn de hoog aan de windse koersen.
Dode hoek (grote schepen):
De dode hoek van grote schepen verwijst naar het gebied vlak voor een groot schip waar de schipper geen zicht op heeft vanwege de hoge steven. Een schipper van een groot schip (bijvoorbeeld broodpoeper) kan niet zien wat er voor zijn schip gebeurd, wees daarom alert hier niet te komen.
Doorzetten:
Het doorzetten van een val houdt in dat de lijn nog een stukje strakker wordt doorgezet, zodat het zeil beter komt te staan. Wanneer iemand vraagt of de vallen kunnen worden doorgezet, houdt dit dus in dat de vallen strakker moeten.
Driften:
Driften is een bedoelde zijwaartse beweging van het schip. Driften verschilt van verlijeren op het punt dat het verlijeren een ongewenste zijwaartse beweging is, en driften een bedoelde zijwaartse beweging. Dit onderscheid wordt echter niet door iedereen aangehouden, en ik weet ook niet zeker of dit ‘waar’ is. Je kunt bewust driften; voor meer informatie hierover lees “driften op halve wind” en “driftend overstag en gijpen“. Driftbeperkende middelen zorgen ervoor dat de driftbeweging minder wordt.
Draaigijp:
Een draaigijp is met maken van een gijp terwijl het schip een draai maakt, bijvoorbeeld van ruime wind naar ruime wind of zelfs halve wind naar halve wind. Dit in tegenstelling tot de S-gijp waarbij op een vrijwel rechte lijn wordt gegijpt.
Driftbeperkende middelen:
Driftbeperkende middelen zijn delen van het onderwaterschip die ervoor zorgen dat de boot geen of minder zijwaartse beweging maakt, zodat het schip minder verlijert/drift. Voorbeelden zijn de kiel of het zwaard, het roerblad en het gehele onderwaterschip.
Dwarspeiling:
De dwarspeiling op een zeilschip wordt gebruikt om een 90 graden hoek te voorspellen, vooral gebruikt om te weten waar je uitkomt wanneer je overstag gaat. Een dwarspeiling maak je door een lijn dwars op het schip te nemen, aan de loefzijde van je schip (arm uitsteken). Wanneer je het punt ‘aanwijst’ waar je heen wilt, kun je overstag. Na de overstag zal je merken dat je er recht op afvaart. Dat komt omdat de hoek tussen aan de wind en aan de wind ongeveer 90 graden is. Bij een lange afstand tussen de boot en het punt neem je hem achterlijker dan dwars, bij een hele korte afstand voorlijker dan dwars. 

E

Eindstabiliteit:
Eindstabiliteit verwijst naar de mate waarin het oprichtend koppel in staat is het schip recht te houden wanneer het schip behoorlijk schuin gaat. Aanvangstabiliteit gaat over wanneer het schip erg schuin gaat. Wanneer een schip een lage eindstabiliteit heeft, houdt dat in dat het schip bij veel wind het schip goed recht kan houden. Voor meer informatie hierover: Stabiliteit op een schip.

F

Fok:
De fok is een van de mogelijke zeilen van een zeilschip. De fok zit meestal voor op het schip bevestigd, voor het draaipunt. Op grote schepen (tall ships) en grotere schepen van de bruine vloot zitten voor de fok nog andere zeilen, zoals de kluivert. Op kleinere schepen is, wanneer aanwezig, de fok vaak het voorste zeil. De fok is een stuk kleiner dan het grootzeil. Wanneer het voorste zeil groter is, wordt dit een genua genoemd. De fok wordt soms bij ruime koersen (ruime en voor de wind) gewisseld voor een spinakker. De fok zorgt in samenspel met het grootzeil voor een groot deel van de snelheid. Daarnaast kan de fok, omdat hij zich voor het draaipunt bevindt, de boot laten afvallen.
Fok bak:
Fok bak is het aantrekken van de fok aan de ‘verkeerde’ zijde, zodat de fok een sterke afvallende werking krijgt. Wanneer je voor de wind vaart en de fok staat aan de andere zijde, heet dit fok te loevert en is er geen afvallende werking.
Fok te loevert:
Fok te loevert is het overhalen van de fok naar de andere zijde wanneer je voor de wind vaart. Wanneer je precies voor de wind vaart, zit het grootzeil voor de fok, en de fok vangt dus ook geen wind. Wanneer je de fok dan naar de andere zijde haalt, vangen beide zeilen wel wind. De fok moet zover gevierd zijn dat hij mooi bol staat. Dit wordt ook wel melkmeisje genoemd.
Fokkemaat:
De fokkemaat staat onder het commando van de stuurman. De fokkemaat is verantwoordelijk voor de bediening van de fok, en volgt tevens commando’s op van andere aard.

G

gennakeren:
gennakeren betekent dat je aan het varen bent met een gennaker, net zoals je het hebt over spinnakeren of spi’en. De gennaker wordt gebruikt op koersen ruimer dan halve wind en is een groot bol zeil die helemaal voorop je schip is bevestigd.
Gewichtsverdeling:
Gewichtsverdeling, ook wel ballasttrim of gewichtstrim, is het verplaatsbare gewicht in de boot gebruiken om zo optimaal mogelijk te zeilen. Het verplaatsbare gewicht zijn meestal de stuurman en de bemanning. Het gewicht kan bijvoorbeeld worden gebruikt om te sturen, of om de boot een positieve helling te laten maken. Vaak kunnen de stuurman en/of bemanning uithangen of in de trapeze staan.
Gewichtsstabiliteit:
Gewichtsstabiliteit verwijst naar het oprichtend koppel van een schip en komt voor bij schepen waar het zwaartepunt van het schip diep ligt en een aanzienlijk gewicht heeft (meestal een kiel). Het zwaartepunt trekt de boot naar beneden, ook wanneer de wind probeert te hellen. Een gewichtsstabiel schip heeft een lage aanvangstabiliteit en een hoge eindstabiliteit. Voor meer informatie hierover: Stabiliteit op een schip.
Gijpen:
Bij de gijp draait de kont van het schip door de wind, waardoor het zeil vanaf de andere kant wind vangt. Een gijp komt voor wanneer je van ruime wind met het zeil over stuurboord naar ruime wind met het zeil over bakboord gaat (je valt af van ruime wind tot voor de wind, gijpt, en loeft op naar ruime wind). Het moment van gijpen is vaak een stukje binnen de wind. Gijpen is het tegenovergestelde van overstag gaan.
Golven:
Golven op het water kunnen twee oorzaken hebben, de wind en overige scheepvaart. Golven van overige scheepvaart zijn over het algemeen hinderlijk. Golven veroorzaakt door de wind kunnen echter zeer nuttig zijn, omdat je hieraan de windrichting kan afleiden. Dit kan je zien aan de meeste golven. Ook kan je aan de golven zien of er windvlagen komen; de heel kleine ribbeltjes op het water (heel kleine golfjes) laten vlagen zien. Wanneer je een donkergekleurd vlak ziet van kleine ribbeltjes, schuin aan de loefzijde van je schip, weet je dat er een windvlaag aankomt.
Grenskoers:
Een schip heeft twee grenskoersen, voor de wind en hoog aan de wind. Dit betekent dat het schip niet verder die kant op kan zeilen (oploevend of afvallend), zonder overstag te gaan of te gijpen. Deze koersen zijn belangrijk, omdat ze op het grensgebied liggen, en door windschiftingen snel kunnen veranderen. Precies een grenskoers varen vraagt dus constante aandacht, omdat de precieze koers steeds verandert. De grenskoers is namelijk een ‘precieze koers‘, een lijn, terwijl de andere koersen een ruimer gebied omvatten.
Grootzeil:
Het grootzeil is een groot zeil op een schip (echter, het heeft niet altijd het meeste zeiloppervlak). Het grootzeil zit achter het draaipunt bevestigd, en zorgt ervoor dat de boot naar de wind toe draait. Sommige schepen hebben slechts één zeil, dit is dan gewoon het zeil. Hoewel het grootzeil het grootste zeil is, is het niet zo dat hij voor de meeste voorstuwing zorgt. De combinatie van twee zeilen (bijvoorbeeld fok en grootzeil) zorgt voor de meeste voorstuwing.

H

Halve steek:
Een halve steek is een knoop, meestal gebruikt als zekering voor andere knopen. Vaak maak je een halve steek nadat je een andere knoop, zoals een mastworp of paalsteek, hebt gemaakt, zodat je zeker weet dat die knopen kunnen houden. Een dubbele halve steek kan ook worden gebruikt om het schip vast te leggen en is voldoende zekerheid, een enkele halve steek niet. Een dubbele halve steek trekt zichzelf echter erg strak vast, daarom kan het handiger zijn een slipsteek in combinatie met een halve steek te maken.
Halve wind:
Wanneer de wind dwars op je boot staat, oftewel recht van opzij komt, is het halve wind.
Hellend koppel:
Het hellend koppel zijn de krachten die ervoor zorgen dat het schip schuin gaat. Het hellend koppel is de wind die in het zeil blaast en de waterkracht die tegenovergesteld tegen de kiel drukt (zie ook bij helling maken). Het oprichtend koppel is een tegengestelde kracht.
Hangtechnieken:
Hangtechnieken verwijst naar het gebruik van het gewicht van de stuurman (en bemanning) om de boot dwarsscheeps (helling) en langscheeps (spiegel uit het water) te trimmen. Bij de hangtechniek worden hangbanden gebruikt, waaronder de zeiler zijn voeten kan plaatsen om zo volledig over het gangboord te hangen. Hierbij is zijn kont over de rand, de rug recht, en de knieën en heupen licht gebogen. De zeiler zit meestal vrij ver naar voren om de spiegel uit het water te houden om weerstand te voorkomen.
Helling maken:
Helling maken, of schuin gaan, op een schip komt doordat de wind de boot omduwt. De wind waait vanaf de zijkant op het zeil, en doordat de kiel of zwaard diep in het water steekt, struikelt de boot als het ware over de kiel of zwaard. Hierdoor ontstaat helling. Helling maken kan je voorkomen of verminderen door: in de wind te gaan liggen of knijpen, het zwaard omhoog halen (hierdoor ga je niet meer schuin, maar ga je ook niet meer vooruit), gewicht naar loef brengen, reven, zeil vieren. Je hebt een positieve (naar lij) en een negatieve (naar loef) helling.
Hijsen (van zeilen):
Het hijsen van de zeilen is de zeilen gebruiksklaar maken om te gaan zeilen (optuigen). Het hijsen van de zeilen gebeurt meestal met vallen. Soms wordt het zeil ook uitgerold uit de mast en vastgezet op de giek (bij torentuig). Hijsen kan alleen op een aandewindse of indewindse koers, omdat het schip anders direct wegzeilt en er teveel druk in het zeil komt. Dit komt omdat het zeil dan niet windvrij is. Hijsen is het tegenovergestelde van strijken.
Hoger:
Hoger verwijst naar meer ‘in de wind‘ of naar een bovenwinds punt. Wanneer je hoger gaat varen, ga je oploeven en meer tegen de wind invaren. Lager is het tegenovergestelde van hoger.
Hogerwal:
De wal waar de wind vanaf waait. Als de wind vanaf de kant komt, of schuin vanaf de kant, is dit een hogerwal. Op een hogerwal kan je met gehesen zeilen aanleggen, omdat je het zeil helemaal windvrij kan krijgen en dus heel langzaam kunt aankomen (op een aandewindse koers).
Hoge zijde:
De hoge zijde van een schip is de kant van het schip dat omhoog gaat, wanneer het schip schuin gaat. De hoge zijde van een meer is de kant waar de wind vandaan komt, ook wel hogerwal of loefzijde genoemd. Soms wordt deze kant van het meer ook bovenkant genoemd.
Hoog aan de wind:
Hoog aan de wind is een grenskoers. Deze koers is de nog vaarbare koers schuin tegen de wind in, voordat je gaat knijpen en in de wind gaat liggen. Deze koers is geen statische koers vanwege windschiftingen, die ervoor zorgen dat je de hele tijd zult moeten oploeven en afvallen.
Hoogte (winnen):
Hoogte winnen op een zeilschip houdt in dat (hoog) aan de wind gaat varen om meer naar loef te komen. Vaak wordt de term gebruikt bij opkruisen; je probeert dan zo hoog mogelijk aan de wind te varen om zo snel mogelijk op een bovenwinds punt uit te komen en doet dat door zo veel mogelijk hoogte te winnen.
Hozen:
Hozen is het water uit de boot scheppen. Door buiswater kan er regelmatig moeten worden gehoosd, tenzij er een zelflozer aanwezig is. Hozen doe je met een hoosblik of puts.

I

In de wind:
De boot vaart in de wind wanneer de wind van voren komt zodat je niet kunt zeilen. De hoek waarin je niet kunt zeilen is ongeveer 80/90 graden, afhankelijk van de windkracht, en heet de dode hoek. Bij minder wind is het een kleinere hoek dan bij harde wind, o.a. vanwege de verlijerende werking. Je kunt dus pas vanaf ongeveer 40 graden vanaf waar de wind precies vandaan komt zeilen, en deze koers is dan hoog aan de wind. Wanneer je precies in de wind ligt, kun je gaan deinzen.
Inscheren:
Inscheren van de zeilen is het vastmaken van de zeilen op de inrichting van het schip. Inscheren gebeurt aan het begin van het seizoen als de zeilen zijn opgeborgen en wanneer het zeil vervangen moet worden. Inscheren verwijst naar de sleuf die vaak in de giek en gaffel zijn bevestigd waar het zeil doorheen wordt geschoren.

J

Jagen:
Jagen is het langs de kant voorttrekken van het schip met een jaaglijn. De lijn is het liefst erg lang, zodat het schip alleen in de lengterichting wordt getrokken (vooruit) en niet opzij. Wanneer er hoge obstakels langs de kant staan, kan het verstandig zijn de jaaglijn zo hoog mogelijk in de mast vast te maken met een mastworp.

K

Kardinale betonning:
Kardinale betonning markeert een ondiepte of obstakel. Het geeft per hele windrichting (kwadrant, noord oost zuid west) aan waar je het gevaar kunt passeren. Wanneer je een noordton ziet betekent dit dat je deze ton ten noorden hiervan veilig kunt passeren. Het topteken van de noordton zijn twee omhoogwijzende driehoeken, de zuidton heeft twee omlaagwijzende driehoeken als topteken. De oostton heeft twee driehoeken waarvan de bovenste omhoog en de onderste omlaag wijst (als ‘<>’ alleen dan op z’n kant) en de westton heeft twee driehoeken waarvan de punten naar elkaar wijzen (als ‘><’ alleen dan op z’n kant).
Kenterend koppel:
Het kenterend koppel ontstaat wanneer het hellend koppel sterker is dan het oprichtend koppel, waardoor het schip omslaat.
Kielzog:
Het kielzog is het spoor dat een schip in het water achterlaat. Een speedboot heeft een hele duidelijke kielzog, net als een groot schip (dit valt te herkennen aan de witte strepen achter het schip).
Killen:
Het killen van een zeil is het tegenbollen/klapperen van een zeil wanneer een zeilstand niet optimaal is. Wanneer je een zeil te los hebt staan, zal deze gaan killen. Hierdoor verlies je snelheid. Killen begint als eerste in het voorlijk, en breidt zich, naarmate het zeil losser staat, verder uit over het zeil. Alleen op aan de wind en in de wind kan het zeil volledig killen, op alle andere koersen vangt een deel van het zeil wind (en kan je op die koersen dus niet stilliggen).
Killend bij:
Killend bij van de zeilen houdt in dat je het zeil een stuk laat killen zodat het schip snelheid mindert. Killend bij betekent niet dat de zeilen los moeten klapperen, er blijft altijd een deel van het zeil wind vangen!
Klapgijp:
Een klapgijp is een gijp die de stuurman niet aan heeft zien komen zodat de gijp zonder enige vorm van controle overgaat. Vaak wordt een klapgijp verward met een ongecontroleerde gijp. Echter, een ongecontroleerde gijp is een gijp die niet goed is uitgevoerd, terwijl een klapgijp een gijp is die onverwachts komt. De klapgijp komt vaak erg hard over; met een klap. Doordat de gijp soms een klapgijp is of een ongecontroleerde klapgijp, waardoor de giek hard overkomt, is men soms bang voor gijpen. Toch kan gijpen heel beheerst gaan, zelfs bij harde wind.
Knijpen:
Knijpen is net iets hoger varen dan hoog aan de wind, en net niet in de wind liggen. Op een knijpkoers gaat de boot heel erg langzaam en verlijert hij heel sterk. Ook gaat het schip niet meer schuin, wanneer dit op hoog aan de wind wel het geval was. Vaak wordt knijpen gebruikt om nog net een punt te halen; dit lukt meestal niet door het sterke verlijeren. Knijpen is niet nodig, wanneer je goed hoog aan de wind vaart; een goede hoog aan de windse koers zorgt er ook voor dat je niet té schuin gaat (tot een zekere windkracht).
Knik in de schoot:
Met een knik in de schoot varen betekent dat je de grootschoot zet voor tussen aan de wind en halve wind, dit om ervoor te zorgen dat de druk in het zeil rustig wordt opgebouwd. Het wordt meestal gebruikt bij het opkruisen in nauw vaarwater en gaat soms ook gepaard met lager varen. Nadat je even met de knik in de schoot hebt gevaren, en snelheid hebt gemaakt, kun je de schoot weer normaal aantrekken.
Koers:
De koers van een schip is de richting van het schip. Een gestrekte koers is bijvoorbeeld een rechte lijn varen. Soms wordt de koers door een eenheid weergegeven. De koers kan worden aangegeven in kompaskoersen of ten opzichte van de wind. Bijvoorbeeld; koers is noordwest, of koers is aan de wind.
Koerstrim:
De koerstrim is het kiezen van de meest optimale koers, meestal voor de maximale snelheid. Dit wordt ook wel vaarttrim genoemd.
Korte slag:
De korte slag is de slag in het opkruisen waar je geen of weinig hoogte wint en juist snelheid wilt maken. Wanneer de wind niet pal op het nauw vaarwater staat, is er een lange slag waar je hoogte kunt winnen. Op de korte slag wil je zo snel mogelijk naar de lange slag, dus wil je op de korte slag vooral snelheid maken.
Krimpende wind:
Wind die draait tegen de richting van de wijzers van de klok wordt krimpend genoemd. Meestal nadert dan een depressie met regen. (op het noordelijk halfrond) Wind die draait met de klok mee wordt ruimende wind genoemd.
Kruisen:
Kruisen met een schip is een kruisbeweging over het water maken voor snelheid of om een bovenwinds punt te bereiken. Je kunt opkruisen en afkruisen.
Kruisende koers:
Een kruisende koers is wanneer het schip je kruist, en zijn koersen die niet tegengesteld zijn tot en met 112,5 graden. (dit is schuin van achter)
Kruisen voor de wind:
Kruisen voor de wind is het net niet voor de wind gaan varen maar juist ruime wind varen met af en toe een gijp. Dit wordt gedaan omdat de ruime koers véél sneller is als de voordewindse koers, waardoor het slim kan zijn om ruime wind te varen. Dit wordt ook wel afkruisen genoemd.
Kruisrak:
Een kruisrak zijn twee slagen in het opkruisen, een slag over bakboord en een slag over stuurboord (of andersom). Één slag in het opkruisen is een rak.

L

Lager:
Lager verwijst naar meer ‘voor de wind‘ of naar een benedenwinds punt. Wanneer je lager gaat varen, ga je afvallen en meer voor de wind varen. Hoger is het tegenovergestelde van lager.
Lagerwal:
De wal waar de wind naartoe waait. Als de wind naar de kant waait, of schuin naar de kant, is dit een lagerwal. Om aan te leggen aan lagerwal moet je de zeilen strijken omdat de zeilen niet windvrij kunnen komen en de boot anders door zou zeilen.
Lage zijde:
De lage zijde van een schip is de lijzijde, de kant van het schip die omlaag gaat bij het schuin gaan van een schip. De lage zijde van een meer is de kant waar de wind heen blaast, ook wel lagerwal of lijzijde genoemd. Soms wordt dan ook gesproken van de onderkant van het meer.
Lanceren:
Het lanceren van een schip is het vanaf de wal met grote snelheid wegduwen/trekken van het schip, zodat het schip ver van de wal komt. Dit kan handig zijn om dan snel het zeil te kunnen hijsen bij een lagerwal. Het lanceren kan op verschillende manieren: met een landvast/lange lijn op het achterdek de achterkant van de boot voorttrekken, de boot voortduwen aan de zijstag, etc.
Landwind:
Landwind is wind die waait vanaf het land naar de zee en wordt veroorzaakt door stijgende lucht boven zee, waardoor de wind van het land daarheen verplaatst. Dit gebeurt omdat de zee langzamer afkoelt dan het land, waardoor in de loop van de nacht de koude lucht boven het land de opgestegen warme lucht boven de zee opvult. Andersom bestaat er ook zeewind.
Lange slag:
De lange slag is de slag in het opkruisen waar je hoogte wint. Wanneer de wind niet pal op het nauw vaarwater staat, is er een lange slag, de slag waar je zo schuin mogelijk op het nauwe vaarwater vaart. Er bestaat ook de korte slag.
Langswal:
Wanneer de wind evenwijdig met de wal waait, is dit een langswal. Dit hoeft niet pal evenwijdig te zijn; op het moment dat je langs de wal ligt en je grootzeil is windvrij, is het een langwal.
Laterale betonning:
Laterale betonning markeert het vaarwater. Op grote vaarwegen (meren) wordt soms ook een vaarwater aangegeven om de scheepvaart een snelle doorgang te kunnen garanderen.
Licht weer:
Licht weer is een benaming voor de weersomstandigheid. Bij licht weer waait het zacht, gemiddeld zo rond 2 beaufort of minder. Bij zwaar weer ligt de windkracht hoger.
Lij:
Lij is de kant waar de wind naartoe waait. De lijzijde van een meer is dus de kant waar de wind heen waait, ook wel lagerwal genoemd. De lijzijde van het schip wordt ook wel de lage kant genoemd, aangezien bij schuin gaan de lijzijde van het schip naar beneden gaat (en de loefzijde omhoog).
Lijgierig:
Een zeilschip is lijgierig wanneer hij zonder roer te geven zijn steven naar lij wilt wenden (af wilt vallen). De meeste schepen zijn licht loefgierig, het tegenovergestelde van lijgierig. Je kunt een schip lijgieriger maken door (onder andere): je gewicht naar loef verplaatsen, je gewicht naar voren verplaatsen, je grootzeil los laten/fok aantrekken, mast naar voren trimmen.
Lijn:
Een lijn is een stuk touw die een functie heeft aan boord. Vrijwel alle touwen aan boord zijn lijnen. Voorbeelden zijn vallen, schoten, landvasten.
Loef:
Loef is de kant waar de wind vandaan komt. De loefzijde van een meer is dus de kant waar de wind vandaan komt, ook wel hogerwal genoemd. De loefzijde van een schip wordt ook wel de hoge kant genoemd, aangezien bij schuin gaan de loefzijde van het schip omhoog komt (en de lijzijde naar beneden).
Loefgierig:
Een zeilschip is loefgierig wanneer hij zonder roer te geven zijn steven naar loef wilt wenden (op wilt loeven). De meeste schepen zijn licht loefgierig. Je kunt een schip loefgieriger maken door (onder andere): je gewicht naar lij verplaatsen, je gewicht naar achteren verplaatsen, je grootzeil aan te trekken/fok loslaten, mast naar achteren trimmen. Loefgierig is het tegenovergestelde van lijgierig.
Lopend want:
Het lopend want zijn alle lijnen die gebruikt worden om de zeilen te hijsen en te bedienen. Voorbeelden zijn vallen en schoten. Er is ook het staand want.
Loskomen (van aan de grond):
Loskomen van aan de grond is het zorgen dat de boot weer verder vaart nadat hij is vastgelopen. Dit kan door gewicht te gebruiken (zodat de kiel omhoog komt) of door zeil te gebruiken. Een combinatie werkt vaak het beste.
Luwte:
Een luwte is een gebied waar minder wind waait dan op het open meer. Je kan een windstille luwte hebben, maar ook een luwte waar veel windschiftingen zijn en de wind een klein beetje is afgenomen.
Luwtegijp:
De luwtegijp is een gijp die wordt veroorzaakt door een windschifting in de luwte, in plaats van door een koersverandering. De luwtegijp gebeurt vaak onverwachts wanneer men een luwte in vaart, de gijp komt meestal niet al te hard over.

M

Man overboord:
Man over boord houdt in dat er een man overboord is geslagen. Het verwijst ook naar de man overboord manoeuvre, een standaard zeilmanoeuvre die ervoor zorgt dat je de man snel binnen kan halen. Wanneer een man overboord slaat, is het verstandig dit te roepen: MAN OVERBOORD! Zo weet de hele bemanning dat er iets is gebeurd.
Man overboord manoeuvre:
De man overboord manoeuvre is een zeilmanoeuvre om een overboord geslagen persoon snel binnen te halen. Bij het overboord gaan val je af tot voor de wind en vaart een aantal (ongeveer 7) bootlengtes door. Je loeft vervolgens op tot aan de wind, maakt een dwarspeiling, en legt als het ware hogerwal aan op de man met snelheidsregeling. Je haalt de man aan de loefzijde binnen, anders vaar je over de man heen. Wanneer de man binnen is, ga je bijliggen. De commando’s zijn: Man overboord, zwem/drijf! roepen, ‘naam’ wijs (hierdoor zorg je dat de man niet uit het oog wordt verloren). Tot slot communiceer je met degene die de man binnen haalt.
Mastworp:
Een mastworp is een knoop bedoeld om de lijn vast te maken aan (kleine) ronde/vierkante voorwerpen, zoals de mast, bolder of paaltje. Na een mastworp maak je een halve steek om de knoop te zekeren.
Melkmeisje:
Melkmeisje is een andere naam voor de stand van de fok en grootzeil bij voor de wind wanneer de fok te loevert staat.
Mist:
Mist is de nachtmerrie van elke zeiler, aangezien er bij mist geen wind staat. Mist kan zich vormen door afkoeling van zeer vochtige lucht (tot onder het dauwpunt) of door menging van koude met warme vochtige lucht. Het komt vaak voor in het voorjaar of najaar. Vaak trekt de mist in de loop van de dag weg en kan het toch nog lekker gaan waaien. Let aan het einde van de dag op mistflarden, dit houdt meestal in dat de wind heel snel gaat liggen.

N

Nachtklaar:
Het nachtklaar maken van een schip zijn alle handelingen die ervoor zorgen dat het schip zonder schade de nacht kan blijven liggen. Voorbeelden van dergelijke handelingen zijn het dekzeil of huik over het zeil leggen, de vallen breien en het schip schoonmaken. Wanneer er overdag wordt afgemeerd en er wordt die dag nog gezeild, is het voldoende om het schip alleen vaarklaar te maken, nachtklaar is alleen voor de nacht (en langer).
Nauw vaarwater:
Nauw vaarwater is een vaarwater waar je slechts enkele bootlengtes hebt van oever naar oever. Opkruisen kan in deze vaarwaters lastig zijn.
Negatieve helling:
Een negatieve helling is het overhellen van het schip naar loef. Dit wordt negatief genoemd, omdat de boot normaal gesproken naar lij helt. In sommige gevallen kan het slim zijn om een negatieve helling te hebben. Dat valt te lezen in “de positieve helling“.

O

Ondiepte:
Een ondiepte is een gebied in het water waar het schip niet kan varen zonder dat hij vast komt te liggen.
Ongecontroleerde gijp:
Een ongecontroleerde gijp is een gijp die verkeerd is uitgevoerd, waardoor de giek bijvoorbeeld hard overkomt. Dit is iets anders kan een klapgijp, hoewel het effect hetzelfde kan zijn, want een klapgijp gebeurt onbewust, en een ongecontroleerde gijp is alleen verkeerd uitgevoerd.
Onweer:
Onweer op het water kan gevaarlijk zijn, omdat een schip met een lange mast het enige hoge punt is op het water. Het is daarom van belang om bij naderend onweer zo snel mogelijk op een veilige plek te komen met de mast gestreken. Je kunt onweer aan zien komen aan grote bloemkoolwolken (die soms tegen de wind ingaan!), een stilte voor de storm en de groen/gele kleur van de lucht/horizon. Wanneer het onweer dicht genaderd is hoor je ook de donder en zie je bliksem. Wanneer het onweer dichtbij is, kan de wind plotseling 180 graden draaien en heel sterk toenemen (soms wel van windkracht 2 naar 6) Als je het onweer aan ziet komen, of denkt dat je het ziet aankomen, zorg dat je alvast dichtbij een (vaste) wal komt te varen. Wanneer je zeker bent dat het onweer is, strijk dan de mast en leg de boot goed vast (houd rekening met 180 graden windschifting). Voor de zekerheid kun je ook een doek vanaf de zijstag in het water hangen, dit schijnt de geleiding te bevorderen wanneer de bliksem toch inslaat. Als het onweer voorbij is, let dan goed op dat het onweer niet terugkeert. Het onweer kan namelijk tegen de wind in gaan, of met de wind mee.
Opdoeken:
Het opdoeken van het zeil is het ‘opvouwen’ van een zeil zodat hij minder ruimte inneemt en niet beschadigd wordt.
Opkruisen:
Opkruisen, ook wel kruisen, is het bezeilen van een indewinds punt (bovenwinds punt) door er zigzaggend op hoog aan de wind heen te varen. Een kruisrak zijn twee slagen in het opkruisen. Belangrijk bij het zo snel mogelijk aankomen op het bovenwinds punt is het goed hoog aan de wind varen en goede overstagen maken.
Opkruisen in nauw vaarwater:
Opkruisen in nauw vaarwater is het opkruisen met beperkte ruimte waardoor je goed rekening moet houden met je snelheid. Het belangrijkste bij het opkruisen in beperkte ruimte is dat je altijd snelheid houdt, anders kun je niet meer uitwijken voor ander verkeer en kun je niet meer overstag. Het kan helpen om met een knik in de schoot te varen.
Oploeven:
Oploeven is de vaarrichting van de boot zo veranderen, dat de voorsteven van de boot zich naar de windrichting toe beweegt (loef). De boot vaart dan meer tegen de wind in. Een voorbeeld is oploeven van voor de wind naar halve wind. Een ander voorbeeld is van aan de wind naar in de wind.
Oploeven in een vlaag:
Tijdens een windvlaag komt de wind tijdelijk ruimer in, omdat de ware wind sterker wordt en de vaartwind eventjes hetzelfde blijft. Hierdoor kan je oploeven. (je kunt als je niet van koers wilt veranderen, ook het zeil laten vieren zodat je sneller gaat). Denk aan het heel hard fietsen bij zijwind en de wind wordt plotseling sterker: dan lijkt het alsof de wind meer van opzij komt. Wanneer je schip door de versterking in de windkracht harder gaat, stabiliseert de situatie zich, en kan het schip niet verder oploeven. Doordat je harder bent gaan fietsen, lijkt de wind weer meer van voren te komen. Wanneer de windvlaag is afgelopen en je schip nog steeds snel gaat, zal je zelfs moeten afvallen. Als op de fiets de zijwind plotseling minder wordt, lijkt het alsof de wind alleen nog maar van voren komt.
Oplopen:
Oplopen is het inhalen van een ander schip. Je hebt dan een oplopende koers.
Oplopende koers:
De oplopende koers is wanneer een schip van achteren nadert, en geen kruisende koers is. Een schip is oplopend wanneer hij schuin of helemaal van achter nadert.
Oprichtend koppel:
Het oprichtend koppel is er om het hellend koppel te compenseren, en wordt grotendeels bepaald door de vorm en het gewicht van het schip. Voor verschillende scheepstypen bestaan verschillende oprichtende koppels: gewichtsstabiliteit, vormstabiliteit, stabiliteit met verplaatsbaar gewicht en stabiliteit door meer rompen.
Opschieten (lijn):
Het opschieten van een lijn is het maken van lussen zodat de lijn zonder schade kan worden opgeborgen. Het opschieten van een lijn gebeurt in even grote lussen, en het uiteinde kan een aantal keer om de lussen heen worden gedraaid en tot slot (als er een achtje is ontstaan) door de kleinste lus worden gehaald. het is niet verstandig om de lussen te maken om je onderarm, omdat hierdoor de lijn gaat draaien en sneller slijt. Ook bij het opschieten moet de draaiing worden voorkomen.
Opschieter:
Een opschieter is het aanleggen op een vast punt door in de wind te sturen, zonder snelheidscontrole van tevoren. Een opschieter is bijvoorbeeld halve wind aan komen varen, roer omgooien en in de wind uitkomen op het vaste punt. De opschieter heeft als grote nadeel dat het ontzettend moeilijk in te schatten is hoeveel ruimte je moet nemen, zodat je vaak te hard of niet aankomt.
Optuigen:
Optuigen zijn alle handelingen op het schip om het klaar te maken om te zeilen. Handelingen zijn onder andere het hijsen van de zeilen. Optuigen is het tegenovergestelde van aftuigen en is niet hetzelfde als een boot vaarklaar maken.
Overstag:
Bij een overstag draait de voorsteven van het schip door de wind (eerst oploeven tot in de wind, dan afvallen tot de andere (hoog) aan de wind), zodat het zeil naar de andere kant gaat. Een overstag is de gehele manoeuvre van (hoog) aan de wind over de ene zijde, naar (hoog) aan de wind over de andere zijde. Overstag gaan is het tegenovergestelde van gijpen.

P

Paalsteek:
De paalsteek is een knoop om een lus in de lijn te leggen. Een paalsteek maakt een niet verschuifbare lus in een lijn, die je vervolgens om een paal kan doen om het schip vast te leggen. Wanneer je een permanente lus in een lijn wilt brengen, kun je hem beter splitsen.
Pagaaien:
Pagaaien is het gebruiken van een peddel om de boot voort te bewegen. Een alternatief voor pagaaien is bomen of wrikken. Het voordeel is dat je geen ondiepe grond nodig hebt, het nadeel is dat het erg langzaam gaat.
Passagiers:
Passagiers op een schip zijn die personen die geen lid van de bemanning zijn. Ze moeten de bevelen van de bemanning opvolgen.
Pavoiseren:
Pavoiseren is het staand want met vlaggetjes versieren. Dit doe je door in de lengte van het schip vlaggetjes aan te brengen, dus van de voorstag tot de schoothoek.
Planeren:
Planeren van een boot is sneller varen dan de rompweerstand (meer over: de weerstand van een romp). Wanneer je in planee gaat, komt de romp boven de golven uit en glijdt de boot eigenlijk over de golven, waardoor de snelheid snel toeneemt. Je kunt dit vergelijken met een zodiak of speedboot, die vrijwel altijd in planee gaan. Factoren die de mogelijkheid tot planeren beïnvloeden (o.a.): gewicht, rompvorm, windkracht (snelheid), gewichtsverdeling op het schip, materiaal van de romp.
Platte knoop:
De platte knoop is een knoop om twee lijnen van gelijke dikte aan elkaar vast te maken. Voor ongelijke lijnen kun je beter de schootsteek gebruiken.
Positieve helling:
De positieve helling van het schip is een helling naar lij die ervoor zorgt dat de waterlijn verlengd wordt. De hoek verschilt per boottype. Wanneer de boot een stukje schuin gaat, wordt de waterlijn langer en gaat de boot sneller. Hoe dat zit kun je lezen in; “de positieve helling“. Een positieve helling is het tegenovergestelde van een negatieve helling.

R

Rak:
Een rak is een rechte lijn over het water van het ene punt naar het andere. Je kunt bijvoorbeeld van de ene kant van het meer op halve wind naar de andere kant van het meer varen, die is dan een rak. Een rak verschilt van een kruisrak op het punt dat een kruisrak een zigzag beweging is, en een rak een rechte lijn.
Ree:
Ree is het commando wat je geeft vlak voor de overstag om de bemanning en eventueel omliggende scheepvaart op de hoogte te stellen dat je overstag gaat.
Reven:
Reven is het zeil kleiner maken, vaak omdat het te hard waait en de boot niet meer controleerbaar is. Reven kan op verschillende manieren, zoals het bindrif en het rolrif. Bij een bindrif zie je reefknuttels (touwtjes) en een extra schoothoek en halshoek in het zeil zitten, zodat je het zeil kleiner kan binden. Bij een rolrif rolt het zeil in de giek. Voordeel van het bindrif is dat er meer profiel in het zeil blijft, voordeel van het rolrif is dat het eenvoudiger is.
Roerbeweging:
De roerbeweging is de mate van uitslag van het roer ten opzichte van ‘roer rechtdoor’. De roerbeweging kan abrupt zijn, hierdoor verlies je veel snelheid, en subtiel, hierdoor verlies je weinig snelheid. Als je alleen van koers wilt veranderen zonder haast is de subtiele beweging het beste. Als je snel van koers wilt veranderen zonder dat het uitmaakt of je hiermee snelheid verliest, maak je de roerbeweging opbouwend; je begint iets rustiger en eindigt zo hard mogelijk.
Roeruitslag:
De roeruitslag is de mate waarin het roer anders staat dan als ‘roer rechtdoor’ wordt aangehouden. Met andere woorden, het is de mate waarin je stuurt. Een roeruitslag van meer dan 90 graden heeft geen zin als je meer wilt sturen, het remt de boot alleen maar af. De roerbeweging bepaalt ook hoeveel het schip remt of stuurt.
Roer voor deinzend schip:
Roer voor deinzend schip is het sturen van het schip terwijl hij achteruit gaat. Het roer werkt dan precies andersom. Wanneer je langzaam gaat moet de roerbeweging subtiel zijn, wanneer je harder gaat kun je ook harder sturen. Opgelet: wanneer je het roer per ongeluk loslaat zal hij hard uit je handen vliegen en dwars komen te staan omdat het roerblad tegen de spiegel van de boot wordt geduwd door het water.
Rolgijp:
De rolgijp verwijst naar het gebruiken van het verplaatsbaar gewicht tijdens de gijp. Dit kan zowel bij de S-gijp als draaigijp en is vergelijkbaar met het gebruiken van het gewicht tijdens de roll-tack. Vlak voor de gijp wordt er flink uitgehangen naar loef en wordt de schoot wat aangetrokken zodat het zeil over de zeiler heen gijpt. Terwijl het zeil overkomt gaat de stuurman (en bemanning) naar de nieuwe loefzijde en pompt het zeil weer vol met zijn gewicht.
Roll-tack:
De roll-tack is een techniek om overstag te gaan. Door goed gebruik te maken van je gewicht zorg je ervoor dat het schip veel sneller overstag gaat zonder ook maar één moment zonder wind (dode hoek is vrijwel nul) en zonder snelheidsverlies. Om een roll-tack te maken ga je eerst aan de wind varen. Vervolgens breng je het gewicht naar lij, zodat de boot loefgierig wordt. Hierdoor hoef je niet te sturen naar in de wind en dat scheelt in de weerstand. Vervolgens ga je door de wind en breng je het gewicht naar de andere kant (dat is de ‘oude’ lij en toekomstige loef). Hiermee creëer je kunstmatige wind waardoor het schip vooruit gaat. Deze techniek kost behoorlijk wat oefening en is alleen mogelijk met veel verplaatsbaar gewicht (op een valk is het vrijwel onmogelijk).
Ruime wind:
Wanneer de wind schuin van achteren komt, vaart de boot ruime wind. Wanneer je iets ruimer vaart dan halve wind, en dus ruime wind vaart, gaat de boot het snelst. Op deze koers raak je ook het snelst in planee.
Ruimende wind:
Ruimen betekent een draaiing van de wind in dezelfde richting als de wijzers van de klok. Als de wind draait in tegengestelde richting wordt dat krimpen genoemd. Een ruimende wind hangt meestal samen met een stijging van de luchtdruk en een naderend hogedrukgebied. Het weer wordt er dan vaak beter op.

S

S-gijp:
De s-gijp is een gijp waarbij je relatief veel gebruik maakt van je roer en gewicht om de gijp over te laten komen. Deze techniek wordt vaak gebruikt bij zwaardboten, omdat daar de giek verder uit staat (bij een kielboot hindert de stag de giek waardoor de wind eerder achter het zeil komt en dus eerder gijpt). Bij een s-gijp ga je ver binnen de wind varen tot de gijp komt, en stuurt daarna terug naar voor de wind. Bij een goede s-gijp maak je ook veel gebruik van je gewicht om zo de giek over te laten komen.
Schijnbare wind:
De schijnbare wind is de wind waarop het schip zeilt. De schijnbare wind is samengesteld uit de ware wind en de vaartwind (vaarwind?). Doordat een schip een voorwaartse snelheid heeft, creëert het schip hiermee wind. Denk aan het heel hard fietsen bij windstil weer: dan lijkt het alsof je tegenwind hebt. Tegelijkertijd waait er ‘echte wind’. De ware wind wordt afgebogen door de vaartwind, en komt in het zeil als de schijnbare wind. Denk aan het heel hard fietsen bij zijwind: dan lijkt het alsof de wind niet van opzij komt, maar van schuin van voren. Wanneer je voor de wind vaart voel je bijna geen wind, omdat het schip dan even hard gaat als de werkelijke wind, waardoor de schijnbare wind nul is.
Schipper:
De schipper is de eindverantwoordelijke op een schip. De schipper hoeft niet de stuurman te zijn.
Schootsteek:
De schootsteek is een knoop om twee lijnen van ongelijke dikte aan elkaar te knopen. Voor gelijke lijnen bestaat er de platte knoop. Aan het einde van de schootsteek is het verstandig een halve steek te maken als zekering.
Slag:
Een slag is één rak, en de term wordt vooral gebruikt bij het opkruisen. Er bestaat de korte slag en de lange slag.
Snelheidscontrole / snelheidsregeling:
Snelheidscontrole is het beheersen van de snelheid van de boot door middel van de zeilstanden. Je kunt je snelheid volledig controleren (van stil naar topsnelheid) op een aandewindse koers. Op andere koersen kan je ook langzamer gaan dan optimaal, maar kun je niet stilliggen (op de indewindse koers na). Wanneer je ruime of voor de wind vaart, kun je snelheid minderen door het zeil binnen te trekken. Eigenlijk ga je per definitie minder snel, en voer je snelheidscontrole uit, wanneer je zeilstanden niet optimaal zijn, maar over het algemeen wordt snelheidscontrole gebruikt bij het aanleggen op een hogerwal.
Spleetwerking:
De spleetwerking refereert naar een theorie over hoe de zeilen werken, en verklaart waarom de fok ervoor zorgt dat er zoveel snelheid mee wordt gewonnen. Het idee is dat doordat er een trechter is tussen de fok en het grootzeil, de wind daar versneld waardoor het grootzeil effectiever wordt. Volgens deze site klopt deze theorie niet geheel.
Slipsteek:
Een slipsteek is een halve steek, alleen is dit keer niet het uiteinde van de lijn gebruikt om de knoop te maken maar ergens halverwege de lijn. Hierdoor krijg je een lus die je kleiner kunt maken door aan het uiteinde te trekken. De slipsteek kan als zekering worden gebruikt, net als de halve steek. Een slipsteek en daarna een halve steek is een goede manier om het schip vast te leggen.
Splitsen:
Splitsen is een techniek om in een lijn een verdikking of een lus te maken. Je haalt hierbij de strengen los en ‘vlecht’ ze op een andere wijze. De eindsplits is een verdikking, deze wordt vaak gebruikt om ervoor te zorgen dat het uiteinde niet gaat rafelen. Hiervoor kan je ook takelen, hierdoor wordt de lijn niet dikker. De oogsplits is een lus in het uiteinde van de lijn, een (tijdelijk) alternatief is een paalsteek.
Spring:
Een spring is een extra lijn die wordt gebruikt bij het aanmeren zodat het schip niet meer kan bewegen. De spring wordt, afhankelijk van de windrichting, van het achterdek helemaal naar de plaats waar de voorlandvast vast zit geplaatst, of vanaf het voordek of nagelbank naar de plaats waar de achterlandvast vast zit. Dit heeft tot gevolg dat elke beweging uit het schip kan worden gehaald. Het idee is dat het schip naar een lengterichting (voor of achter) wordt getrokken, zodat de voorlandvast en achterlandvast strak staan. Overigens kan de spring ook korter zijn dan hierboven beschreven, zolang hij het schip maar in een lengterichting trekt.
Staand want:
Het staand want zijn alle lijnen (vaak stagen) die de mast ondersteunen en, over het algemeen, niet makkelijk worden verwijderd. Voorbeeld van staand want is de voorstag en de zijstagen. Er bestaat ook het lopend want.
Stabiliteit:
Stabiliteit verwijst naar de mate en de manier waarop het schip zich kan oprichten van een hellend koppel. Het oprichtend koppel kan uit verschillende vormen van stabiliteit bestaan, zoals gewichtsstabiliteit, vormstabiliteit, stabiliteit met verplaatsbaar gewicht en stabiliteit door meer rompen.
Stabiliteit door verplaatsbaar gewicht:
Stabiliteit door verplaatsbaar gewicht verwijst naar het oprichtend koppel van een schip en komt voor bij schepen waar het gewicht van het schip gering is ten opzichte van het gewicht van de bemanning. De bemanning maakt gebruik van het gewicht om de stabiliteit te behouden. Een schip met stabiliteit door verplaatsbaar gewicht is een gewichtsstabiel schip en heeft een lage aanvangstabiliteit en hoge eindstabiliteit. Voor meer informatie hierover: Stabiliteit op een schip.
Stabiliteit met meerdere rompen:
Stabiliteit met meerdere rompen verwijst naar het oprichtend koppel van een schip en komt voor bij schepen waar het schip meerdere rompen heeft. Het komt neer op het principe dat wanneer één romp uit het water is, de andere romp veel drukkracht krijgt. Een schip met stabiliteit door meerdere rompen heeft een hoge aanvangstabiliteit en een lage eindstabiliteit. Voor meer informatie hierover: Stabiliteit op een schip.
Stormwaarschuwing:
Een stormwaarschuwing (of windwaarschuwing) wordt gegeven door de maritiem meteorologische dienst van het KNMI en wordt afgegeven wanneer windkracht 6 of meer wordt verwacht. De stormwaarschuwingen worden op zijn vroegst 6 tot 9 uur vóór de storm gegeven.
Strietsen:
Strietsen is een manier om een val extra strak aan te trekken, zodat het zeil goed strak staat. Je doet dit door te ‘sjorren’ via de nagelbank; de val zit onder een nagel door, en elke keer trek je hem met je hele gewicht een stukje strakker.
Strijken (van zeilen):
Het strijken van de zeilen is de zeilen van het schip aftuigen zodat het schip niet meer kan zeilen. Het strijken van de zeilen gebeurt meestal met vallen. Soms wordt het zeil ook opgerold in de mast (bij torentuig). Strijken kan alleen op een aandewindse of indewindse koers, omdat het zeil niet windvrij komt en het schip door blijft zeilen en er teveel druk in het zeil staat. Strijken is het tegenovergestelde van hijsen.
Sturen met gewicht:
Naast sturen met het roer en met de zeilen kan je ook sturen met gewicht door je gewicht in de breedte en lengte te verplaatsen. Wanneer je het gewicht naar lij verplaatst gaat de boot loeven, wanneer je het gewicht naar loef verplaatst gaat de boot afvallen. Wanneer je het gewicht naar voren brengt gaat de boot afvallen, en wanneer je het gewicht naar achteren brengt gaat de boot oploeven. Het is verstandig om zowel de lengte als de breedte te gebruiken, dus wanneer je wilt oploeven kan je het beste naar achteren en naar lij gaan. Als je wilt afvallen juist naar voren en naar loef.
Sturende werking (van de zeilen):
Zeilen hebben naast een stuwende werking ook een sturende werking, zodat het schip zonder roer bestuurd kan worden. De sturende werking wordt bepaald door de hoeveelheid zeil wat voor en achter het draaipunt ligt. Het grootzeil heeft een loevende werking, de fok een afvallende werking. Naast zeilen kan je ook met gewicht sturen.
Stuurboord:
Stuurboord betekent, gezien vanaf de stuurman kijkend naar voren, rechts. Deze term wordt gebruikt om aan te geven dat het gaat om de zijde vanaf de stuurman, en niet om de zijde ten opzichte van de spreker. Wanneer je bijvoorbeeld naar de achterzijde van het schip kijkt, en je zegt ‘rechts’, denken anderen dat je ‘rechts’ vanuit het oogpunt van jou bedoelt. Echter, wanneer je stuurboord zegt, weet iedereen dat je de rechterzijde van het schip bedoelt. Ezelsbruggetje: stuuRboord = Rechts. Stuurboord is het tegenovergestelde van bakboord.
Stuurman:
De stuurman is degene die op dat moment het schip bestuurt. De stuurman is iets anders dan de schipper: de schipper is de eindverantwoordelijke op het schip, terwijl de stuurman alleen het schip bestuurt.
Stuwende werking (van de zeilen):
De stuwende werking van de zeilen is de kracht die ervoor zorgt dat het schip vooruit gaat. De stuwende werking is sterker wanneer de druk in het zeil langzaam wordt opgebouwd, dus wanneer je de zeilen rustig aantrekt. Naast een stuwende werking hebben zeilen ook een sturende werking.

T

Takelen:
Takelen is het gebruik maken van takelgaren om te voorkomen dat de uiteinden (tampen) van de lijn gaat rafelen. Er bestaat een noodtakeling en een benaaide takeling.
Tegengestelde koers:
De tegengestelde koers is wanneer een schip je recht van voren nadert. Wanneer het niet helemaal recht van voren is, is het een kruisende koers.
Trapeze varen:
Het varen met een trapeze zorgt voor veel extra snelheid: alle windkracht die door gebrek aan gewicht wordt omgezet in helling, wordt nu omgezet in snelheid, wat voor een aanzienlijke snelheidsvermeerding zorgt. De bemanning (en soms ook de stuurman) heeft een trapezeharnas waarmee hij inhaakt aan een lijn die hoog in de mast bevestigd zit. Hierdoor kan hij met zijn voeten op het gangboord staan en horizontaal buiten het schip hangen. Lees hier meer over het trapeze varen.
Trekwal:
Een trekwal in een sloot is een hogerwal waar een voordelige windschifting bestaat. Een trekwal op een open meer werkt door middel van de warmte van het water en de grond. Meer hierover: “Trekwal in een sloot” en “trekwal op open meer“.
Trimmen:
Trimmen van een zeilschip is het veranderen van de tuigage en vorm van het zeil om een zo optimaal mogelijk resultaat te verkrijgen. Meestal is dit snelheid, maar reven is ook een vorm van trimmen. Trimmen kan voordat je het water opgaat; hier kies je wat zeiloppervlak je neemt en hoe je de mast zet. het gaat hier om zaken die niet meer of moeilijk veranderd kunnen worden op het water. Trimmen kan ook op het water; hier gaat het om het zeil de ideale vorm te geven door gebruik te maken van trimlijntjes, die bijvoorbeeld het onderlijk strakker trekken. Afhankelijk van doelstelling is het optimaal om na elke koersverandering het zeil opnieuw te trimmen.

U

Uitbreken (anker):
Het uitbreken van een anker is het losraken van een anker van de grond. Dit kan bedoeld of onbedoeld gebeuren.

V

Vaarklaar:
Een schip is vaarklaar (of zeilklaar) wanneer alle handelingen zijn verricht zodat het schip alleen nog maar hoeft op te tuigen om te kunnen zeilen. Handelingen zijn onder andere de vallen aanslaan en de huik of het dekzeil verwijderen. Wanneer je later op de dag weer gaat zeilen, tuig je het schip af tot vaarklaar. Je maakt een schip vaarklaar na de nacht wanneer het schip nachtklaar is.
Vaarttrim:
De vaarttrim is het kiezen van de meest optimale koers, meestal voor de maximale snelheid. Dit wordt ook wel koerstrim genoemd.
Vaartwind:
De vaartwind is de tegenwind die de boot ervaart doordat hij vooruit gaat. Je kunt dit vergelijken met fietsen op een windstille dag; het lijkt dan alsof je tegenwind hebt. De vaartwind beïnvloedt de ware wind, en tezamen vormen ze de schijnbare wind, de wind waarop een zeilboot zeilt.
Vaarwater:
Vaarwater is het gebied waar het schip kan varen. Het vaarwater verschilt dus per schip; een diep schip heeft minder vaarwater dan een ondiep schip. Laterale betonning geeft ook een vaarwater aan (een soort weg) en dit geeft aan dat dit vaarwater een bepaalde diepte heeft.
Vaarweg:
Vaarweg is al het water waar schepen toegestaan zijn te varen. Dit wil niet zeggen dat een schip daar ook daadwerkelijk kan varen; een schip kan beperkt zijn door zijn diepte. Het vaarwater verwijst naar het gebied waar een schip daadwerkelijk kan varen, terwijl een vaarweg verwijst naar het water van oever tot oever.
Varend hijsen:
Varend hijsen is een manoeuvre waarbij je het zeil pas hijst wanneer je al vaart, bij voorkeur op een aandewindse koers. Bij varend hijsen moet het zeil windvrij kunnen zijn, anders zeilt de boot te vroeg weg en kan je het zeil niet hijsen. De aandewindse koers is ideaal, omdat je direct na het hijsen kan bepalen of je snelheid wilt maken en welke kant je op zult gaan.
Varend strijken:
Varend strijken is een manoeuvre waarbij je het zeil strijkt wanneer je nog op het open water bent, bij voorkeur op een aandewindse koers. Bij varend strijken moet het zeil windvrij kunnen zijn, anders vaar je door en val de giek ver buiten boord. Dit kan goed op een aandewindse koers, omdat je, mocht het mis gaan, ook nog kunt uitwijken door snelheid te maken. Dit kan in de wind niet.
Vastliggen:
Vastliggen is het stillliggen van een schip aan de grond vanwege een ondiepte. Ook kan vastliggen betekenen dat een schip is aangelegd en dus ‘vast ligt’.
Vastlopen:
Vastlopen is het raken van de grond bij een ondiepte waardoor je (abrupt) vast komt te liggen. Het belangrijkste om los te komen is zo snel mogelijk wegsturen van de ondiepte.
Verhalen:
Verhalen is het verplaatsen van een schip naar een andere plek zonder te zeilen. Dit kan bijvoorbeeld door te bomen, te pagaaien, te wrikken of te jagen .
Verlijeren:
Verlijeren is de zijwaartse beweging van het schip op alle koersen hoger dan voor de wind. Wanneer een zeilboot aan de wind vaart, vaart hij geen rechte lijn, maar een schuine lijn. Deels gaat het schip vooruit, en deels opzij. Deze zijwaartse beweging wordt veroorzaakt doordat de wind schuin van voren komt en door golven. Driftbeperkende middelen (=verlijerbeperkende middelen) zijn onder andere de kiel of zwaard, het roerblad en de gehele romp. Op aan de wind is de verlijering het sterkst, op ruime wind minimaal, en voor de wind niet aanwezig.
Vieren:
Vieren is het losser laten van een lijn, zoals een schoot of val. Het zorgt ervoor dat hetgeen de lijn bedient, losser komt te staan. Het grootzeil laten vieren doe je bijvoorbeeld door de grootschoot losser te laten.
Voor de wind:
Wanneer de wind recht van achteren komt, vaart de boot voor de wind. Dit kan je onder andere zien aan de fok, deze zal op dit moment doodvallen (geen wind meer vangen). Wanneer je voor de wind vaart is het in een zwaardboot verstandig om een negatieve helling te creëren. Bij de kielboot ligt dit iets anders. Wanneer je verder afvalt dan voor de wind, kom je binnen de wind. De voor de windse koers is een grenskoers.
Voorlijker dan dwars:
Voorlijker dan dwars is het eerder overstag gaan dan je eigenlijk zou doen bij een dwarspeiling, omdat je incalculeert dat een overstag ervoor zorgt dat je te ruim aan zou komen. Wanneer je dicht bij het punt bent genaderd dat je wilt bereiken met je dwarspeiling, wil je niet lager dan aan de wind uitkomen, anders kun je niet aanleggen. Wanneer je hem precies dwars neemt, zorgt de grote bocht van de overstag ervoor dat je toch te ruim aankomt. Daarom neem je hem voorlijker dan dwars.
Vormstabiliteit:
Vormstabiliteit verwijst naar het oprichtend koppel van een schip en komt voor bij schepen waar het schip weinig diepgang heeft en erg breed is. Het zwaartepunt trekt de boot naar beneden, ook wanneer de wind probeert te hellen. Een vormstabiel schip heeft een hoge aanvangstabiliteit en een lage eindstabiliteit. Voor meer informatie hierover: Stabiliteit op een schip.

W

Ware wind:
De ware wind is de wind zoals deze wordt aangegeven op het weerbericht, of zoals je kunt zien aan bomen en het water. De term ‘waar’ houdt in dat de wind niet wordt beïnvloedt door de vaartwind. Op een zeilboot voel je niet de ware wind, maar de schijnbare wind, omdat de vaartwind de ware wind beïnvloedt. Een zeilboot vaart dus op de schijnbare wind.
Weer (in zeildoek):
Wanneer je het zeil verkeert opdoekt en nat laat, kan er weer in het zeil komen. Dit is een vorm van schimmel en is erg slecht voor het zeil.
Weersomstandigheid:
De weersomstandigheden op het water zijn bepalend voor de keuzes die je kunt en moet maken. Houd daarom altijd goed het weerbericht in de gaten voor veranderende situaties, en schat de situatie van tevoren goed in. Let daarbij niet alleen op ‘slecht weer’ als buien en onweer, maar ook op windveranderingen en veranderingen in de windkracht. Je kunt aan een behoorlijk aantal factoren zien of het weer zal gaan veranderen, hiervoor is het raadzaam een stuk over meteorologie te lezen. Onweer kan je echter zelf goed zien aankomen aan grote bloemkoolwolken, een stilte voor de storm, 180 graden windschifting en uiteraard donder.
Wind:
“Beweging van lucht voornamelijk door verschillen in luchtdruk, de draaiing van de aarde en eventueel de wrijving met het aardoppervlak. Hoe groter het verschil in luchtdruk tussen twee plaatsen, hoe harder het waait, dus hoe groter de windsnelheid. Meestal gaat het om een horizontale stroming van lucht. De wind kent een dagelijkse en jaarlijkse gang. In de loop van de dag neemt de onstabiliteit bij het aardoppervlak toe en daarmee ook de windsnelheid.” (afkomstig van het KNMI).
Windkracht:
De windkracht waarmee een schip kan varen verschilt per boottype. Voor de meeste boottypes geld echter dat windkracht 3-4 beaufort ideaal is, windkracht 2 nog wel zeilbaar is maar erg langzaam gaat, en bij windkracht 5/6 wordt vaak gereefd. Hoger dan windkracht 6 is voor veel boottypes moeilijk zeilbaar en is het meer overleven. Boven windkracht 7 wordt het gevaarlijk.     

Bft Benaming m/s knopen km/u Kenmerken
0 Windstil <0.2 1 1 Rook stijgt (recht) omhoog
1 Zwakke wind 0.3-1.5 1-3 1-5 Rookpluimen geven richting aan
2 Zwakke wind 1.6-3.3 4-6 6-11 Bladeren ritselen
3 Matige wind 3.4-5.4 7-10 12-19 Bladeren, twijgen voortdurend in beweging
4 Matige wind 5.5-7.9 11-16 20-28 Stof en papier dwarrelen op
5 Vrij krachtige wind 8.0-10.7 17-21 29-38 Takken maken zwaaiende bewegingen
6 Krachtige wind 10.8-13.8 22-27 39-49 Grote takken bewegen
7 Harde wind 13.9-17.1 28-33 50-61 Bomen bewegen
8 Stormachtige wind 17.2-20.7 34-40 62-74 Twijgen breken af
9 Storm 20.8-24.4 41-47 75-88 Takken breken af, dakpannen waaien weg
10 Zware storm 24.5-28.4 48-55 89-102 Bomen worden ontworteld
11 Zeer zware storm 28.5-32.6 56-63 103-117 Uitgebreide schade bossen en gebouwen
12 Orkaan >32.6 >63 >117 Niets blijft meer overeind

Afkomstig van het KNMI.

Windrichting:
De windrichting is de richting waar de lucht vandaan komt. Wanneer de wind bijvoorbeeld van west naar oost waait, is de windrichting west. De windrichting kan op verschillende manieren worden aangegeven, de bekendste zijn in kompasgraden en in kompaskoersen. Noord is 0 en 360 graden, oost is 90 graden, zuid is 180 graden en west is 270 graden. Koersen ertussen kunnen in afzonderlijke graden worden aangegeven, maar meestal als het volgende: Noordoost; 45 graden, zuidoost; 135 graden enzovoorts. Nog verder gespecificeerd is bijvoorbeeld westzuidwest; dit is de richting tussen west (270 graden) en zuidwest (225 graden) en is dus 247,5 graden.
Windschifting:
Windschiftingen zijn kleine tijdelijke veranderingen in de windrichting. Weersomstandigheden hebben hier vaak mee te maken; te denken valt aan zeewind, landwind, opkomende buien etc. Windschiftingen zijn tevens veranderingen in windrichting door obstakels, zoals gebouwen en bossen. De wind waait hier anders langs, waardoor de windrichting verandert. Bij een grote verandering is er sprake van een windverandering.
Windverandering:
Een windverandering is een grote permanente verandering in de windrichting die vaak wordt veroorzaakt doordat de weersomstandigheid is veranderd. Een kleine korte windverandering heet windschifting.
Windvlagen:
Windvlagen zijn een korte toename in de windkracht, die soms gepaard gaan met een verandering in de windrichting. Tijdens een windvlaag kan je vrijwel altijd oploeven of het zeil laten vieren, omdat de wind ruimer inkomt. Dit heeft te maken met de schijnbare wind, en ‘heet’; oploeven in een vlaag. Windvlagen kan je herkennen aan de golven.
Windvrij (zeilen):
De zeilen zijn windvrij wanneer geen enkel deel van het zeil (of zeilen) nog wind vangt wat ervoor zorgt dat de boot snelheid maakt. De zeilen zijn windvrij wanneer het gehele zeil kilt of klappert.
Windwaarschuwing:
Een windwaarschuwing (of stormwaarschuwing) wordt gegeven door de maritiem meteorologische dienst van het KNMI en wordt afgegeven wanneer windkracht 6 of meer wordt verwacht. De stormwaarschuwingen worden op zijn vroegst 6 tot 9 uur vóór de storm gegeven.
Wrikken:
Wrikken is het voortbewegen van een boot met een boom door achtjes te maken in het water, terwijl de boom in een putje op het achterdek ligt. Het voordeel is dat het snel gaat en je geen ondiepe grond nodig hebt, het nadeel is dat de boot kan beschadigen en je snel in het water kunt vallen. Een alternatief is bomen of pagaaien.

Z

Zeewind:
Zeewind is wind die waait vanaf de zee naar het land en wordt veroorzaakt door stijgende lucht boven land, waardoor de wind van zee daarheen verplaatst. Dit gebeurt omdat het land sneller opwarmt dan de zee, waardoor de koude lucht de warme opgestegen lucht op het land opvult. Hierdoor waait de wind vanaf de zee naar land, en dit kan resulteren in een aanzienlijke windsnelheid. Andersom bestaat er ook landwind.
Zeilklaar:
Een schip is zeilklaar (of vaarklaar) wanneer alle handelingen zijn verricht zodat het schip alleen nog maar hoeft op te tuigen om te kunnen zeilen. Handelingen zijn onder andere de vallen aanslaan en de huik of het dekzeil verwijderen. Wanneer je later op de dag weer gaat zeilen, tuig je het schip af tot vaarklaar. Je maakt een schip zeilklaar na de nacht wanneer het schip nachtklaar is.
Zeilstand:
De zeilstand op een schip bepaald mede de snelheid van het schip. De zeilstand kan worden aangepast door schoten. Naarmate de wind meer van voren komt, wordt het zeil strakker aangetrokken. Een goede zeilstand voeren doe je als volgt; vier het zeil zo ver mogelijk, totdat het voorlijk gaat killen. Het zeil staat optimaal wanneer het voorlijk nèt niet kilt. In de praktijk komt dit neer op: voor de wind; zo ver mogelijk los (op een zwaardboot niet voorbij de mast), ruime wind; ook bijna helemaal los, halve wind; half aan, aan de wind; strak aan.
Zetten (van zeil):
Zetten van zeil betekent het hijsen van het zeil. Wanneer je zeil zet, ga je dus zeilen hijsen.
Zuiging (grote schepen):
De zuiging van grote schepen verwijst naar het zuigende effect van deze schepen op andere schepen. De zuiging wordt veroorzaakt doordat het schip water wegduwt door de boeggolven, waardoor een geul achter het schip ontstaat, dat weer wordt opgevuld door ander water. Dit andere water ‘zuigt’ kleinere schepen mee.
Zwaartepunt:
Het zwaartepunt is het punt op het schip waar het gemiddelde van het gewicht van het schip ligt en de zwaartekracht aangrijpt. Bij een schip met een diepe en zware kiel ligt het zwaartepunt ver naar beneden, bij een schip zonder kiel ergens in het midden. Voor meer informatie hierover: Stabiliteit op een schip.
Zwaar weer:
Zwaar weer is een benaming voor de weersomstandigheid. Wat onder ‘zwaar’ wordt verstaan verschilt per persoon, maar het gaat harde wind in combinatie met slechte weersomstandigheden.. Bij licht weer waait het vaak erg zacht, windkracht 2/3 of minder.
By Pieter Moerman | This entry was posted in Zeilen and tagged , , . Bookmark the permalink.

4 Responses to Zeiltermen: van A tot Z

  1. Michiel Feldberg says:

    waarom kan je hoger varen bij helling naar lij bij weinig wind en waarom moet je lager varen bij 2 reven?

  2. Pingback: hobby's - Pagina 2

  3. Inger says:

    Is er een Nederlands woord voor een wind die recht van voren komt, dus uit de richting waarheen je wilt varen? In het Engels heet dat ‘dead-wind’. Alvast hartelijk dank!

Leave a Reply

Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>