Workshop trainen

24 maart was de eerste workshop over training geven. Het dagprogramma was: Ochtend, trainen naar niveau 5, visie, vorm. Middag, lesgeefstructuren en modellen in de praktijk. De ochtend werd ingevuld door Vincent Veeger, een B-trainer.

Begintoets (begin van het afrondingsweekend):

  • De B’er moet onbewust bekwaam op niveau IV+ zitten. Dit houdt in dat hij elke manoeuvre vlot moet uitvoeren. Dit gaat bijvoorbeeld om motorische vaardigheden als bediening van de schoten, overstag, soepelheid, gijpen. Dit alles moet soepel en automatisch gaan.
  • De trainer moet zich veilig voelen op het schip. De B’er moet rust uitstralen. Dit komt met name tot uiting in het vooruitzien en anticiperen op situaties. Hierbij gaat het alleen al om een bocht draaien; kijkt de kandidaat door de bocht heen of moet hij plotselinge koersveranderingen maken.
  • Discussiepunt was stress; sommigen zeiden dat stress veroorzaakt wordt door onkunde, anderen gaven aan dat examenstress hier niks mee heeft te maken (overigens sluit ik me aan bij het laatste kamp).

Minimale eindniveau (eind van elk dagdeel)

  • De B’er moet wat geleerd hebben, en onbewust bekwaam zeilen. Dit leren houdt in dat hij dingen op kan pikken en hiermee verder gaat. Het grote risico van deze methode is dat wanneer de begintoets faalt, iemand vrij eenvoudig het kan halen door enthousiast te zijn.
  • Communicatie moet eenduidig en helder zijn, het maakt niet uit welke termen er worden gebruikt.
  • Niveau IV is de diepte in: één methode uitdiepen en helemaal uitwerken. Niveau V is juist de breedte in; een andere oplossing zoeken en vinden, en vervolgens naar de volgende oplossing.

Niveau V training geven:

  • Als trainer: eerst de basis erg duidelijk neerzetten, vervolgens zoeken naar andere oplossingen.
  • Het doel is om de B’er zover te krijgen dat hij zelf oplossingen gaat vinden en zoeken: ‘zo kan het, maar kan het ook op een andere manier’. Open staan voor verbreding in het varen. Risico: verbreding leidt ertoe dat het trucje ‘waarheid’ wordt.
  • Een einddoel is belangrijk voor de B’er; wat wil je bereiken en hoe kan de trainer hierin faciliteren. Als B’er wil je een doel bereiken, hoe je er komt moet hij deels zelf bepalen. Als trainer wil je dit proces stimuleren (door bijvoorbeeld vragen en ideeën opperen) en enigszins beheersen (het doel moet wel reëel zijn; “we willen dit leren: past dit in het doel wat we willen gebruiken”).
  • Vraaggericht trainen; hij moet aangeven hoe en waarom hij iets wil trainen. Vervolgens is het aanbieden, oefenen en ‘toetsen’; heeft hij het idee dat het beter gaat. Meegaan in oplossingen en deze faciliteren.
  • Manier van trainen: doorgaan op vragen van cursisten, uitdagen, positieve feedback, uitdagen, ‘wat wil je nu gaan doen’. Je wilt mensen laten durven ‘fouten te maken’.
By Pieter Moerman | This entry was posted in Trainen and tagged . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published.