Gesprekstechnieken

Verschillende gesprekstechnieken die je kunt gebruiken om het gesprek doelbewust te laten verlopen.

Veronderstelling: Als begeleider interpreteer je datgene wat de instructeur heeft gezegd. De interpretatie sluit nauw aan bij het referentiekader van de instructeur als je expliciet maakt wat de instructeur nog (net) niet kon verwoorden. Je kan ook veronderstellingen maken buiten het referentiekader van de instructeur door persoonlijke ideeën toe te voegen. Soms is dat broodnodig om impasses in het gesprek te doorbreken maar tegelijkertijd begeef je je op glad ijs: de kans is groot dat je er vierkant naast zit. Het gevolg is dat de instructeur zich niet begrepen zal voelen.

Informatie geven: Je geeft informatie, advies of jou ideeën aan de instructeur om iets onder de aandacht te brengen of om antwoord te geven op de vraag van de instructeur.

Waardering: Je geeft een waardeoordeel over het gedrag of de uitingen van de instructeur.

Confrontatie: Je zegt een tegenstelling te constateren tussen:
de uitspraken van de instructeur of
de uitspraken van de instructeur en diens gedrag.

Met een confrontatie probeert de begeleider de instructeur ergens bewust van te maken. Dat lukt alleen als de begeleider concreet gedrag benoemt.

Reguleren: Je bewaakt de orde en structuur van het gesprek.

Hardop nadenken: Je denkt hardop na, zodat de instructeur weet wat er in je omgaat. Als begeleider geef je door hardop nadenken de instructeur gelegenheid om richting te geven aan het gesprek. Dat bevordert de samenwerking tussen jou en de instructeur.

Situatie verduidelijken: Je brengt onduidelijkheden of misverstanden over de begeleiding of het gesprek ter sprake (metagesprek).

Tussenwerpsels: Uitingen als “hmh”, “jaaa” waarmee je de instructeur aanmoedigt om verder te praten.

Vragen stellen: Je stelt een vraag waarmee je een nieuw gespreksonderwerp aansnijdt. Je sluit dus niet aan bij het gedachtespoor of referentiekader van de instructeur. De vraag kan open of gesloten zijn.

Doorvragen: Je vraagt door op uitspraken van de instructeur en blijft binnen diens referentiekader. Je vraagt dus om verduidelijking of concretisering van iets dat de instructeur naar voren bracht. Ook doorvragen kan met open en gesloten vragen.

Parafase: Je geeft in eigen woorden weer wat de instructeur in één of een paar uitingen heeft verteld. Met een parafase kan je als begeleider controleren of je de instructeur goed begrijpt. Bovendien stimuleert een parafase de instructeur om verder te praten. De parafase is ook een hulpmiddel om informatie te ordenen.

Gevoelsreflectie: Met een gevoelsreflectie geef je het gevoel van de instructeur in eigen woorden weer. Door een gevoelsreflectie merkt de instructeur dat hij wordt begrepen en daardoor neemt de intensiteit van de emoties (bijv. kwaadheid) meestal af. Gevoelsreflecties hebben ook een controlefunctie: als begeleider ga je na of je de gevoelens van de instructeur juist hebt getaxeerd.

Samenvatting: Je vat een deel van het gesprek samen om structuur in het gesprek aan te brengen en te controleren of hij de instructeur goed begrijpt.

By Pieter Moerman | This entry was posted in Begeleiden and tagged . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published.