Gedifferentieerd lesgeven

Als zeilinstructeur heb je meestal een aantal zeilers die je lesgeeft. Meestal worden deze groepen ingedeeld naar zeilniveau (bijvoorbeeld door middel van een CWO diploma), zodat alle cursisten op ongeveer hetzelfde niveau zitten. Dit betekent echter niet dat je als instructeur lesgeeft aan een (bijvoorbeeld) “CWO 2” groepje, maar aan 4/5 verschillende individuen met hun eigen niveau, leerbehoefte en leerstijl. Een veelgemaakte fout bij instructeurs is dat een lesvoorbereiding er als volgt uitziet: (1) onderwerp en lesdoel bepalen, (2) oefeningen erbij bedenken, (3) planning maken, waarbij de hele groep op één niveau wordt behandeld. Hier mist één belangrijke stap: individuele lesdoelen en opdrachten maken. Tijdens een les zijn cursisten dus bezig met hún doel en hún opdracht.

Door deze individuele doelen en opdrachten vast te stellen kan je:

  • Op het juiste niveau lesgeven door moeilijkere / makkelijkere of andere opdrachten te geven;
  • De individuele voortgang veel beter zien en daarop je les aanpassen;
  • De evaluatie een stuk beter en nuttiger maken (niet alleen het herhalen van lesdoel);
  • Lesgeven een stuk concreter en leuker maken voor de cursist.

Hoe geef ik gedifferentieerd les?

Goed lesgeven aan individuen is absoluut niet moeilijk, maar kost wel moeite. Het is jammer dat veel instructeurs blijven steken op het lesgeven aan een ‘CWO’ groepje, terwijl lesgeven aan 4/5 individuen zoveel meer uitdagender en leuker is. Bij gedifferentieerd lesgeven kun denken aan de volgende stappen:

1. Begin met een goede foutenanalyse

Denk na en observeer wat je cursisten doen, waarbij je zo concreet mogelijk bent. Dus niet “overstag redelijk”, maar juist bijvoorbeeld “overstag: pakt onhandig over en laat daardoor zijn/haar schoot los (zb/kb/jz)” of “overstag: pakt niet kruislings over waardoor hij/zij valt (surf)”. De laatste beschrijving geeft direct aanknopingspunten voor een nieuw lesdoel en evaluatie!

  • Dit kan enigszins op basis van een CWO diploma, dus ook al voordat je de cursisten ziet,
  • Maar vindt vooral plaats op het water, terwijl je bezig bent met lesgeven,
  • En werkt vervolgens door in de manier waarop je lesgeeft (zie hieronder);
  • En gebruik je om een duidelijk persoonlijk lesdoel te formuleren binnen een groter onderwerp.

2. Denk na over verschillende werkvormen

In één les kan je onder andere gebruik maken van:

  • Voordoen/nadoen (model leren): de cursist doet jou of iemand anders na.
  • Uitproberen (zelf ontdekkend): je geeft de cursist een open opdracht.
  • Aanwijzingen opvolgen (directief): stapsgewijze aanwijzingen bij een opdracht.
  • Methode uitvoeren (recept leren): Je legt een methode uit en laat het ze uitvoeren (bijv. lagerwal).
  • Oorzaak / gevolg begrijpen (schematiseren): aangeven wat waarom goed/fout gaat.
  • Uitwisselen van gedachten (interacties met anderen): zelfevaluatie en zelf leren door vraaggesprek.

Hierbij zie je direct de verschillende mogelijkheden. Zo kan één cursist bezig zijn een overstag te vervolmaken, terwijl de ander uit bezig gaat hem zo goed mogelijk na te doen. Een derde is bezig met jouw tip die je hebt gegeven, terwijl je een vierde stapsgewijs begeleid. De werkvormen hangen samen het doel die je hebt voortvloeiend uit de foutenanalyse.

3. Denk na over de manier van leren van de cursist

Elk leerproces heeft een aantal fases.

Concrete ervaring opdoen
Vb: Omslaan
Observeren van ervaringen
Vb: Wat gebeurt er als ik omsla
Experimenteren met ervaringen 
Vb: oefenen met schuin gaan.
Theoretiseren van ervaringen 
Vb: Als ik de schoot aantrek sla ik om.

Elke cursist (en ook jij) maakt dit proces op zijn eigen manier door. Sommige cursisten proberen het liefst van alles uit (de ‘doener’, nadruk op concrete ervaring opdoen), terwijl anderen juist de kat uit de boom kijken (de ‘bezinner’, nadruk op observeren). Een volgende theoretiseert alles van tevoren (de ‘denker’, nadruk op theoretiseren) en weer een ander is bezig hoe hij dit kan toepassen in de praktijk (de ‘beslisser’, nadruk op experimenten). Door na te denken over deze stappen en typen van leerstijlen kan je veel beter aansluiten bij de behoefte van je cursisten. (Als je hier meer over wilt weten, kijk dan bij de post over leerstijlen).

Een groot deel van deze stappen doe je automatisch al. Iedereen herkent vast wel de echte doeners en de theoretici die het naadje van de kous willen weten. Nu is het alleen zaak om deze drie stappen met elkaar te verbinden en zodoende je les erop aan te passen. Bij een doener kan het bijvoorbeeld slim zijn om het eerst voor te doen, zodat hij het eerst kan proberen zonder al te veel uitleg. Een denker zal echter liever eerst iets horen over het waarom. Bedenk altijd: elk persoon maakt altijd elke fase door, waardoor de verschillende werkvormen op verschillende momenten kunnen worden toegepast.

Praktische tips

  • Je kunt handig langere tijd gebruik maken van één oefening/baan, terwijl je cursisten één voor één aparte doelen en oefeningen krijgen. Voor zb/jz/surf: Schreeuw geen tips langer dan 5 woorden over het water, maar roep iemand bij je (want jij hebt je motorboot natuurlijk op een handige plek neergelegd!).
  • Je kunt de werkvormen goed gebruiken om de moeilijkheidsgraad op te bouwen in je les.
  • Maak in je lesvoorbereiding onderscheid tussen onderwerp en doelen. Het is logisch dat je de overstag behandeld, maar denk direct na over individuele doelen (hoewel deze ook vaak pas op het water naar voren zullen komen).

Experimenteer hiermee! Een goede instructeur is continue op zoek naar uitdagingen en wil zichzelf continue blijft verbeteren. Zo blijft het lesgeven leuk, uitdagend en geef je cursisten pas écht goed les.

By Pieter Moerman | This entry was posted in Lesgeven and tagged . Bookmark the permalink.

3 Responses to Gedifferentieerd lesgeven

  1. rob moree says:

    Mooi, en nuttig ook al heb ik er een hele administratie bij nodig. Ik ga het komend weekejnd proberen.

  2. Lucky says:

    Oh yeah, fauoblus stuff there you!

Leave a Reply

Your email address will not be published.